Categorieën
Uit de streek

oorbaarden, favorieten & graskanten

Een bakkebaard is een ‘baard die over de kaken loopt’. In het dialect bestaan er allerlei varianten op, zoals oorbaarden, favorieten en graskanten.

Het woord bakkebaard heeft te maken met backe, dat in het middeleeuwse Nederlands ‘kaak, wang’ betekent. Een bakkebaard is dus een ‘baard die over de kaken loopt’. In het dialect bestaan er allerlei varianten, zoals oorbaarden, favorieten en graskanten.

Dialectkaart uit de Database van de Zuidelijk-Nederlandse Dialecten

Bokkebaard

Naast bakkebaarden, dat vrijwel algemeen is in het zuiden van Nederland en frequent voorkomt in Nederlandstalig België, komt ook bokkebaarden voor in de Database van de Zuidelijk-Nederlandse Dialecten. De a is hier vervangen door een o, misschien wel omdat bakke niet meer goed herkend werd als woord voor ‘wang’. In gesproken taal kan na een b een a namelijk gemakkelijk gerond worden tot een o. Dat komt vaker voor, denk bijvoorbeeld aan baktand (‘kies’), dat in het dialect boktand is geworden.

Oorbaard

Baard wordt niet enkel met bakke- gecombineerd, maar ook met oor in oorbaard. De haaruitgroei loopt immers naast het oor. Oorbaard is vooral bekend in Noord-Brabant en in het noorden van Belgisch Limburg.

Fasse

In Antwerpen en ook in West- en Oost-Vlaanderen en net over de grens in Noord-Brabant gebruiken ze fassen, farsen en fazzen. Ook hier is de plaats waar de haaruitgroei voorkomt het benoemingsmotief. Fasse is namelijk afgeleid van het Franse face, dat onder andere ‘slaap’ betekent en ook ‘haar op de slapen’.

Favoriet

In heel wat Vlaamse dialecten domineren woorden die afgeleid zijn van het Franse favoris, dat weer gebaseerd op het Italiaanse favoriti. Misschien werd het woord favoriet wel gebruikt omdat bakkebaarden toen enige tijd in de mode waren. De verscheidenheid aan woorden die op het Franse favoris teruggaan is in ieder geval groot. De woorden die het dichtst tegen het oorspronkelijke favoris aanleunen zijn favorieën, favorieten, favorienen, favrienen en favoriezen.

Fabrieken

Iets verderaf van het origineel zijn fabrieën, fabreeën, fabrielden, fabriemen met als eindpunt fabrieken. Volksetymologie speelt hier een rol; het oorspronkelijke woord zegt de taalgebruiker niet zoveel meer en dan kan de dialectspreker voluit gaan. Het woord werd aangepast aan iets dat nog wel bekend was en er een beetje op leek: fabrieken dus. Deze variant is nauwelijks bekend in Nederland, en slechts een enkeling die aan de grens met België woont, gebruikt het woord. Nederlandse kappers die met Belgische kapsalontoeristen te maken hebben, wees gewaarschuwd!

Graskanten

Natuurlijk wordt met dit type haardgroei ook wel eens gespot. Sommige van de gebruikte woorden zijn ook bekend in de standaardtaal, zoals tochtlatten. Verder hoor je nog pannenlatten en graskanten. Andere zijn weer afgeleid van het Frans, zoals chambranles ‘deurlijsten’. Een greep uit het kleurrijke aanbod: fenteneeltjes ‘luiken’, geitensikjes, luizenpadjes, muizentriepjes, kaplaarzen, kinderkousjes, scheerbak, steenweg, vuilbakken, zwaarden.