Categorieën
Uit de streek

achterwaarsterigge

De achterwaarsterigge was vroedvrouw en kraamhulp ineen. Het woord is een van de vele dialectwoorden die voor het typische vrouwenberoep bestaan.

Enkele dagen geleden was het – zoals elk jaar op 8 maart – internationale vrouwendag. Op die dag is er veel aandacht voor de vrouw, dus ook in deze rubriek. We zoeken het woord deze week in Vlaanderen bij een – zeker in het verleden – typisch vrouwenberoep: de vroedvrouw of verloskundige. In het oosten van West-Vlaanderen en in een deel van Oost-Vlaanderen heet zij achterwaarsterigge. Veel vrouwelijker kan bijna niet want het woord heeft twee vrouwelijke uitgangen, –ster en –igge. Het woord wordt nog nauwelijks gebruikt, maar vraag naar de typische dialectwoorden uit de streek en dan duikt het onvermijdelijk op in de lijstjes.

Foto: SnappyGoat.com

Meer dan een verloskundige

De achterwaarsterigge is niet de verloskundige zoals we die nu kennen: ze stond de vrouw bij bij de bevalling, maar was tegelijk ook de verzorgster van het pasgeboren kind en hielp mee in huis. Het was een volksvrouw die bij de toekomstige moeder de bevalling ging voorbereiden, eventueel bleef overnachten, de arts erbij riep als dat nodig was en dus ook enkele dagen de nazorg van de bevalling, het kind en de rest van het gezin op zich nam. Loon werd hiervoor niet betaald. De achterwaarsterigge werkte tegen kost en inwoning en wat zakgeld. Ze was dus een vroedvrouw (verloskundige) en kraamhulp (baker) ineen. Een strikte scheiding tussen die twee bestond toen nog niet. Dat kwam later met de professionalisering van de beroepen.

Achterwaren

In het Middelnederlands betekent achterwaren ‘beschermen, verzorgen’. Het is afgeleid van het werkwoord waren ‘verzorgen’ en achter. Je kan het vergelijken met het Engelse to look after dat ook ‘zorgen voor’ betekent. Achter heeft hier immers niet de Nederlandse plaatsbetekenis ‘achter’ maar wel ‘naar, op, om’. Wachten achter betekent bijvoorbeeld ‘wachten op’ en achter iets gaan ‘iets halen’. In het Nederlands kennen we waren nog in bewaren, waarnemen en waarborg. Om een vrouwelijke beroepsnaam te vormen die afgeleid is van een werkwoord, gebruiken we in het Nederlands vooral –ster (naaister). In het dialect bestaan ook nu nog andere achtervoegsels zoals het Kust-West-Germaanse –ege (spinege ‘spinster’) of –inge (kuuschinge ‘poetsvrouw’) in de buurt van Kortrijk. Verder werden ook –es en –is gebruikt om vrouwelijke persoonsnamen af te leiden van mannelijke namen, zoals kokkin of barones.

Dubbel vrouwelijk

Die achtervoegsels zijn vrijwel allemaal terug te vinden in combinatie met achterwaren als naam voor de vroedvrouw. Op de dialectkaart van vroedvrouw in de Database van de Zuidelijk-Nederlandse Dialecten (DSDD) zie je achterwaringe in het zuiden van West-Vlaanderen, achterwaarster en achterwarege in een deel van West- en Oost-Vlaanderen en achterwares in het oosten van Oost-Vlaanderen. In het Waasland klinkt dit –es als –as. Dat levert achterwaras op en zelfs achtergaras met een w/g-wisseling. De achterwaarsterigge is wel gulzig. Het lijkt wel of het vrouwelijke karakter hier extra benadrukt moet worden met een dubbel achtervoegsel: –ster en –ege, of in dit geval de variant –igge. Dat gebeurt ook in het minder frequente achterwaarsteringe en achterwaarsteres.

Wijze vrouwen

In Limburg heet de vroedvrouw wijsvrouw (ook uitgesproken als wiesvrouw), wijzevrouw en wijswijf. Wijf is hier het neutrale woord, zoals dat ook in het Engels gebruikt wordt. Wijf heeft pas later een negatieve betekenis gekregen in het Nederlands. Wijsvrouw is een leenvertaling van het Franse sage-femme. Ook vroed in vroedvrouw betekent ‘wijs’ of nog beter ‘bekwaam’. Het verwijst naar de deskundigheid van de vrouwen bij het begeleiden van bevallingen. Het Brabantse woord is goevrouw of goeivrouw. Betekent goed hier ook ‘bekwaam’ of zou het zoals sommigen beweren een volksetymologische aanpassing van god zijn? Etymologen zijn er niet over uit.

Koesteren

In het noorden van West-Vlaanderen hoor je minne, een verkorting van minnemoeder met de betekenis ‘liefdevolle vrouw die jonge kinderen verzorgt’. In Zeeland kent men de uitdrukking: Is ’t niet goed voor ’t kinnetje (‘kindje’), dan is het wel goed voor ’t minnetje. Een min is eigenlijk een ‘zoogster’, maar je hebt ook minnen die geen borstvoeding geven, de droge minnen. Ook in het Engels maakt men een verschil tussen een wet nurse en een dry nurse. Baker is net als min ook een verkorting, hier van bakermoeder, waarin bakeren ‘koesteren’ betekent. In Antwerpen wordt ze vaak bakel genoemd, met een bekende r/l-wisseling. In de Denderstreek zijn bundel- en bunselvrouwen bekend. Het verwijst naar de gewoonte om kinderen in te bakeren. We eindigen met het Zuid-Limburgse patros, petros en de variant botteres, vervormingen van het Luikse botresse ‘leurster’. In het volksgeloof was de botteresse of de patrosse/petrosse een vrouw die kinderen kwam verkopen aan de moeders. Vandaar is het maar een kleine stap naar de persoon die voor de kinderen zorgt.

Meer lezen