Categorieën
Terug in de taal

profijtertje

Vroeger hoefden stompjes kaars niet te worden weggegooid. Dankzij een bijzonder voorwerp: het profijtertje.

Samen met de Denen behoren Nederlanders al jaren tot de gelukkigste inwoners van Europa. Een van de verklaringen daarvoor is dat deze twee volkeren als geen ander in staat zijn een prettige warme sfeer te creëren om samen met familie en vrienden te genieten van alle mooie dingen die het leven te bieden heeft. Kaarsen spelen daarbij in deze donkere decemberdagen een belangrijke rol. Wij branden ze voor de gezelligheid, maar onze voorouders gebruikten ze als voornaamste lichtbron. Daar moest je dus spaarzaam mee omgaan. Een profijtertje hielp daarbij.

walviszaad

In de middeleeuwen werden kaarsen voornamelijk gemaakt van schaap- of rundervet. Naast deze goedkope vetkaarsen bestonden er ook duurdere kaarsen van bijenwas. Later leverde de walvisvaart nog een andere grondstof voor kaarsen: walschot. Dat is een vloeibare stof die zich bevindt in onderhuidse holten van walvissen. Als dat goedje afkoelt, verliest het zijn vloeibaarheid en wordt het een helderwitte, half doorschijnende, glanzende massa. De Latijnse benaming voor deze vloeistof – spermaceti – gaat terug op de onjuiste opvatting dat het hier gaat om walviszaad. Die gedachte zien we ook terug in het Nederlandse walschot, dat is samengesteld uit wal, een oude naam voor walvis, en schot, dat is afgeleid van schieten (vergelijk ‘zaad schieten’).

een eindje kaars

Anders dan waxinelichtjes branden gewone kaarsen niet tot het einde toe op. Tegenwoordig gooien we het stompje dat in een kandelaar overblijft als een kaars opgebrand is, meestal weg. Vroeger vonden de bewoners van de Lage Landen dat zonde van het geld. Daarom bedachten zij het profijtje, dat in Vlaanderen, Zeeland en Brabant profijter en in Holland profijtertje werd genoemd. Het was een koperen plaatje met een aantal pinnen, dat zich bevond op een buisje dat in een kaarsenstandaard kon worden geplaatst. Zo kon zelfs het laatste eindje kaars zijn licht en warmte verspreiden.

Het woord profijtje is afgeleid van het zelfstandig naamwoord profijt, dat als oudste betekenis ‘voordeel’ heeft. En dat is precies wat het volledig opbranden van kaarsen je oplevert. Omdat je langer kunt doen met een kaars, hoef je minder snel geld uit te geven aan een nieuwe. Tel uit je winst!

duurzaam

Er was nog een ander woord voor een dergelijke ‘kaarsopbrander’ in gebruik: zuinigje of – in Noord-Holland – zuinigerdje. Het is afgeleid van het bijvoeglijk naamwoord zuinig, dat vroeger doorgaans in neutrale of zelfs positieve zin werd gebruikt. Het betekende dan ‘spaarzaam’ en ‘behoedzaam in het uitgeven’. Toch neigde het woord soms ook naar het negatievere ‘gierig’ en dat is de bijsmaak die het woord zuinig nu over het algemeen aankleeft.

Het profijtje en het zuinigje zijn in onze welvaartsmaatschappij verdwenen. Wij branden onze kaarsen niet langer helemaal op maar vervangen ze voortijdig. Met het oog op duurzaamheid zou het niet zo gek zijn een hedendaagse versie van dit voorwerp te herintroduceren. Zo kan ook het laatste stompje kaars opbranden. Dat is niet alleen profijtelijk, maar bovenal gezellig!

profijt in het Middelnederlandsch Woordenboek (MNW), in het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT)
profijtje in het WNT
walschot in het MNW en WNT
zuinig in het WNT
zuinigje in het WNT