Categorieën
Terug in de taal

lepelzucht

Als niets met de paplepel wordt ingegoten. Lepelzucht is een spottende benaming voor een verdwenen ziekte.

Hoewel de Nederlandse economie in het derde kwartaal van 2020 met maar liefst 7,7 procent is gegroeid, verkeren vooral kleine zelfstandigen en horecaondernemers nog altijd in zwaar weer. Eeuwen geleden waren er ook huishoudens die de eindjes maar met moeite aan elkaar konden knopen. Voedselbanken bestonden nog niet en een gebrek aan voedsel zorgde ervoor dat deze mensen sterk vermagerden. Van hen werd gezegd dat zij de lepelzucht hadden. Wat was dat precies?

Foto door Dstudio Bcn op Unsplash

Ziekte

Lepelzucht komt voor in 16e- en 17e-eeuwse komische teksten als een ironische benaming voor hongerlijden en de gevolgen daarvan. Het woord is een samenstelling van lepel en zucht. Het eerste lid verwijst naar het gebruiksvoorwerp om voedsel op te scheppen, het tweede lid betekent hier ‘ziekte’. Dat was de gebruikelijke betekenis van zucht in de middeleeuwen. Na 1500 heeft dit zucht bijna overal zijn plaats moeten afstaan aan ziekte. Maar helemaal verdwenen is het woord zucht niet: het leeft voort in nog altijd bekende aandoeningen als geelzucht ‘icterus’, bleekzucht ‘bloedarmoede’ en waterzucht ‘oedeem’.

Begeerte

Vanaf de 16e eeuw kreeg zucht – vooral als tweede lid in samenstellingen – steeds vaker de betekenis ‘begeerte’, waardoor de oorspronkelijke betekenis gaandeweg op de achtergrond raakte. Waarschijnlijk ontstond die nieuwe betekenis onder invloed van het werkwoord zuchten ‘begeren’, dat overigens niet van dezelfde oorsprong is als het zelfstandig naamwoord zucht. In woorden als weetzucht, eerzucht en geldzucht drukt het woorddeel zucht dit verlangen duidelijk uit.

Oorsprong

Hoe lepelzucht aan de spottende betekenis ‘hongerlijden’ is gekomen, blijft in nevelen gehuld. Zou de overeenkomst in vorm tussen een lepel en een sterk vermagerd iemand – een groot hoofd en een dun lijf – daarbij een rol hebben gespeeld? Of moet zucht in dit woord opgevat worden in de latere betekenis die het heeft gekregen, dus het verlangen naar een lepel om eindelijk iets te kunnen eten?

Ondanks de letterlijk veelbelovende titel biedt Carolus Tuinman in De oorsprong en uitlegging van dagelyks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden, opgeheldert tot grondig verstand der Vaderlandsche Moedertaal (1726) evenmin uitkomst. Wel komen we in dit boek een fraaie, spottende beschrijving tegen van iemand die er sober ‘slecht’ uitziet:

Hy ziet’er zo sober uit, als had hy zeven jaaren de lepelzucht gehad, en achter de keukendeur ziek gelegen.