Categorieën
Woorden weten alles

Robbertje over taal

Laat het gesprek gaan over voetbal, over politiek of over het andere geslacht, er is altijd één diepere boodschap: ‘Kijk mij eens.’

Taal, hoor je weleens zeggen, is een systeem van hoorbare of zichtbare tekens waarmee iemand zijn gedachten over elk onderwerp kan doorgeven aan iemand anders. Ja, zo lijkt het. Maar hoe langer ik kijk en luister naar mensen, hoe dieper ik ervan word doordrongen dat taal voornamelijk dient om informatie door te geven over het ene onderwerp dat ieder van ons écht interesseert: onze eigen persoon.

Foto: PIXNIO

Laat het gesprek gaan over voetbal, over politiek of over het andere geslacht, er is altijd één diepere boodschap: ‘Kijk mij eens.’ Volgaarne geef ik toe dat ik daar zelf niet aan ontsnap. In deze anderhalve alinea heb ik al vijfmaal ‘ik’ geschreven (nu zes).

Neem de discussies over het Vlaams en het Nederlands en of die elkaar nodig hebben. Nu en dan komt een radiomaker of een krantenredacteur op het idee om die oude koe nog eens uit de sloot te trekken. En dan wordt de mankracht (m/v/x) daarvoor gezocht op de plaats waar altijd mankracht (m/v/x) te veel is: de sociale media. Lanceer de vraag of Vlamingen nog moeite moeten doen om te spreken zoals ‘Hollanders’ en spoedig wordt er op Facebook, Twitter of de websites van serieuze kranten een robbertje gevochten, waarbij de omstanders met plezier zelf meppen uitdelen waar ze kunnen.

De discussie laat zich samenvatten in twee statements die elkaar afwisselden: 1. ik laat me door anderen niet dicteren hoe ik moet spreken; 2. wie niet spreekt zoals ik, is een pretentieuze zot of een gestampte boer.

De verklaring ligt in de geschiedenis van het Nederlands in Vlaanderen. Tientallen jaren moesten wij, aangespoord door taalleraars en taaladviseurs, proberen zo te spreken en te schrijven dat onze taal niets verried van onze afkomst. Appelsienen moesten sinaasappelen worden, het grootwarenhuis werd omgedoopt tot supermarkt, de bomma werd aan de kant geschoven voor de oma. Als dat lukte, dan spraken we ABN zoals Annie Van Avermaet en Martine Tanghe.

Maar dat kwam zwaar in botsing met ons gevoel van eigenwaarde en met de twee statements die ik daarnet noemde. Waarom zouden anderen – niet eens landgenoten! – mogen bepalen wat goed is voor ons en wat niet? De reactie kwam zo’n jaar of tien geleden. Op kousenvoeten, maar onstuitbaar. Vandaag verschijnt de bomma ongegeneerd op tv en in de kranten terwijl ze appelsienen koopt in het grootwarenhuis.

Sommigen vinden dat authentiek, anderen schreeuwen moord en brand om de verloren strijd voor de cultuurtaal. En de twee groepen lijken elkaar maar niet te begrijpen. De ergste koppigaard is die andere.

Dat is jammer, en gevaarlijk. Want op dit eigenste ogenblik wordt ons mooie en rijke Nederlands, samen met andere Europese talen, omsingeld door het Engels, het Arabisch en het Chinees. En die nemen grote happen uit de terreinen waar we nu nog toegang toe krijgen met onze eigen taal. Als het Nederlands straks verbannen wordt uit het hoger onderwijs, de handel, de media, de kunst en de politiek, doet het er dan nog toe waar onze bomma haar geld uitgeeft en waaraan?


Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden van nieuwe afleveringen van WoordHoek? Schrijf u dan in voor Taalpost, de gratis e-mailnieuwsbrief van het Genootschap Onze Taal.

Ludo Permentier is journalist en auteur. Hij was docent in het middelbaar onderwijs, werkte bij Van Dale en de Taalunie en publiceerde taalboeken. Vijftien jaar lang schreef hij de taalcolumn Woorden weten alles in De Standaard.

E-mail: ludo.permentier@telenet.be