Categorieën
Woorden weten alles

Een woord van pijn

In zijn kindertijd zou Ludo Permentier bij pijn geen au geroepen hebben, maar ai.

Misschien zat er die onverwacht warme dag maar één bij in onze tuin, en dan heb ik ze nog doodgemaakt ook.

Ik wilde een hardnekkig onkruidje uit de grond rukken, en prompt keerde de natuur zich tegen mij. Au! De dader zag ik nog wegvliegen, maar een bij is als Noord-Korea: als ze haar ultieme wapen inzet, gaat ze er zelf aan. Niet alleen zat ik dus met een wijsvinger als een cervelaatworst, maar ook met een schuldgevoel ter grootte van een natuurreservaat.

Foto: Pxhere

’t Is wel lastig, die vinger. De dokter schreef een kleverige zalf voor en adviseerde me om mijn hand zo veel mogelijk omhoog te houden. Ik moet nu dus proberen stukjes te schrijven met zo weinig mogelijk u’s, j’s, h’s en n’en. Au!

In mijn kindertijd zou ik niet au! geroepen hebben, maar ai! en onverhoeds vraag ik me af of ai dialect is en au algemeen Nederlands. Zo ver is het gekomen met het taalgevoel van veel Vlamingen: wat we in onze kindertijd hebben geleerd, zal wel slecht zijn, want overal hoorde je zeggen dat je niet hoorde te zeggen wat je overal hoorde zeggen. Begrijpt u dat dat verwarrend was?

Van die taaltwijfel ben ik intussen verlost, want ik heb gemerkt dat au en ai naast elkaar floreren, zowel in Nederland als in Vlaanderen. En ik vraag me nu af wanneer ik au ben gaan roepen, of er een verschil is tussen au en ai, of dat verschil regionaal bepaald is, of te maken heeft met leeftijd of sociale status.

Verwacht niet dat ik al deze vragen zal beantwoorden, maar ik heb het gevoel dat ons taalgebied onder te verdelen is in een au– en een ai-zone.  En het gaat verder. Fransen, Italianen en Spanjaarden zeggen aïe, ahi of ay, Duitsers en Engelsen roepen au, autsch of ow. Dwars door Europa moet een grillige au/ai-grens te trekken zijn, met overgangsgebieden waar je ai (of au) mag roepen als je het schriftelijk hebt aangevraagd bij de plaatselijke overheid. En om West-Europa heen ligt nog een andere grens, want in het Bulgaars zeggen ze ox, in het Japans itai, in het Filipijns aray of aguy, in het Navajo ayáo, in het Pools aua en ga zo maar door.

Wat zegt dat over zo’n woord als au? Wel, om te beginnen dat het een woord is. Het geluid dat we maken als we giechelen, niezen, hoesten of bibberen van de kou, klinkt overal ongeveer hetzelfde. Je kunt dus niet horen welke taal iemand spreekt als je hem of haar alleen maar hoort niezen. Wel als die persoon spreekt over niezen, er dus een woord voor gebruikt. De Nederlandstalige zal hatsjie of hatsjoe zeggen, de Franstalige atchoum.

Maar hoe zit dat dan met het reflexmatig uitgeroepen au en ai? Zoals gezegd, is ook dat een woord. Maar is het daarom ook een communicatiemiddel? Daar kun je aan twijfelen. Je roept het niet om iemand ergens van op de hoogte te brengen, laat staan iemand te overtuigen of ergens toe te overhalen. Ook als je alleen bent, komt het van pas. Je zou het een ventielwoord kunnen noemen, dat een stukje van je pijn, je frustratie of je angst laat ontsnappen, zoals een vloek.

Voor die bij kan het wel een boodschap van troost zijn geweest: ze heeft niet voor niets het leven gelaten. Hopelijk woonde ze aan mijn kant van de taalgrens, anders heeft ze het misschien niet eens verstaan.


Wilt u automatisch op de hoogte worden gehouden van nieuwe afleveringen van WoordHoek? Schrijf u dan in voor Taalpost, de gratis e-mailnieuwsbrief van het Genootschap Onze Taal.

Ludo Permentier is journalist en auteur. Hij was docent in het middelbaar onderwijs, werkte bij Van Dale en de Taalunie en publiceerde taalboeken. Vijftien jaar lang schreef hij de taalcolumn Woorden weten alles in De Standaard.

E-mail: ludo.permentier@telenet.be